Geen en Niet
1. Ik heb geen sleutels.
2. Ik heb de sleutels niet.
3. Ik heb jouw sleutels niet. 所有代名詞
4. ik ga niet.
1. Ik wil geen huisdier.
2. Jij kent mijn zus niet. 所有代名詞
3. De boodschappen zijn niet duur. 形容詞
4. Ik heb geen problemen.
5. Wij gaan niet naar buiten. 前置詞
6. Ik maak de opdrachten niet. de opdrachten課題
cf.. 完了形の場合
De student heeft veel oefeningen gemaakt.
De student heeft veel oefeningen niet gemaakt.
Ik heb al meer dan een jaar niet gekookt.
maken~=~をする